Het gouden raampje van Judith Ockeloen

Judith en ik zitten midden in de galerieruimte van Beeldend Gesproken. Aan de wanden om ons heen hangt haar werk. Ik heb Judith gevraagd om het gesprek hier te houden, te midden van de stille getuigen van haar depressie en wat daarna kwam, de opgewekte stadsgezichten, waarin de kleurige huizen zich spiegelen in de rimpeling van het water.

Als een beeldverhaal hangt haar leven om ons heen. Aan het begin, links in de hoek, een bosmeertje, in grijstinten, verstild, mist hangt boven het water. Prachtig geschilderd, met fijne tonen, maar van een grote treurigheid. Jaren lang dwaalt Judith dan al rond in haar eigen depressie. Van jongs af aan is haar bestaan een gevecht. Eruit willen en moeten vechten om te blijven. Het bosmeer lijkt een hoogtepunt maar is de inleiding tot een periode van steeds ernstiger wordende angsten en depressie resulterend in een opname 2 jaar geleden.

We zien de krans van kleine werken in zwarte kaders gevangen. Beelden die haar angstdromen uit die tijd verbeelden. Angst al niet meer hier te zijn, angst voor stenengooiers, angst om onbereikbaar te zijn.

Haar hand schildert voort, begrijpen wat ze schildert volgt pas veel later. Het werk van voor de opname, ze weet zelf niet meer hoe het tot stand is gekomen. Maar het brengt haarscherp de innerlijke verscheurdheid in beeld waar Judith dan in leeft. Een kwadrant van kleine schilderijtjes, allen met een huis erop achter sluiers. Huizen in afbraak of in opbouw? We weten het niet. We mogen het niet zien. Judith zelf ook niet. De sluiers lijken te verhullen wat erachter schuil gaat. Of bieden ze bescherming aan een kwetsbare ziel? Bescherming tegen een boze buitenwereld die bij haar naar binnen dringt?

In het midden van de galerie hangen er op een kast drie werkjes die het dieptepunt lijken te verbeelden. Links een huis, half afgebroken of ingestort. De beschermende sluiers zijn kapot gewaaid. Woedend staan er rode letters op het doek : “Kapot”! In het midden een tekening met talloze huizen over en door elkaar heen, een en al verwarring uitdrukkend. Rechts daarvan zie je drie huizen die elkaar ontroerend overeind houden. Zonder elkaars steun zouden ze zeker instorten. Het dieptepunt lijkt voorbij!

Aan de rechterwand zien we dan opeens een rij van haast vrolijke stadsgezichten hangen, een stad uit de middeleeuwen zo te zien. Huizen spiegelen zich in het water van de gracht. Het roept de herinnering op aan de stadsgezichten van Vermeer. Luctor et Emergo, Judith heeft geworsteld en komt boven!

Zelf zegt ze : “Als er uit zoveel lijden zo iets moois tevoorschijn komt is het me misschien wel waard geweest!” Het schilderen heeft haar niet gered, maar wel drijvend gehouden. Het heeft haar beschermd. De narigheid is als het ware van binnen naar buiten gebracht.

Na ons gesprek loop ik in mijn eentje nog een keer langs de wanden. Natuurlijk, die laatste wand met al die grachtgezichten is van een overweldigende schoonheid. Maar de werken aan de andere kant van de zaal zijn even indringend, hoe slordig ook geschilderd ogenschijnlijk. Ze zijn weerbarstig en tegendraads. Ze schuren een beetje tegen je ziel. Maar wat een zeggingskracht en daardoor ook schoonheid binnen dat levensverhaal van Judith. Haar werk biedt ons een inkijk in een moeilijk maar ook dankbaar leven. Bij een laatste rondgang valt me een raampje op dat te midden van al die afbraak goud is geschilderd. Als een belofte van hoop om ooit uit alle narigheid weer op te staan. Als het moet kan schilderen wonderen verrichten! En wij, de kijkers, beleven het een beetje mee!

Kees Hordijk